January 4, 2012

Altijd een buitenstaander?

Ik stap de dalla dalla  in en neem plaats op de achterste bank. Aan mijn linkerzijde zit een licht naar zweet ruikende bouwvakker. Rechts aan het raam  zit een mama met twee kinderen op schoot. “Mambo, habari zenu?” vraag ik in mijn beste Swahili. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat de kinderen me verbaasd aankijken, maar verder vinden de passagiers me niet interessant. So far so good. Ik kijk uit het raam en zie de frisgroene omgeving van Arusha voorbij flitsen. “Hey mzungu!”, plots ben ik in opperste staat van paraatheid. “Are you married? You need to marry me, I love you!” Een man van middelbare leeftijd is zojuist ingestapt en verstoort de rust in de bus. “Hahahaha…. blablabla…mzungu….blabla…mzungu”, ineens ben ik onderwerp van gesprek. De mensen voor me (ongeveer 20) draaien zich om en beginnen allen hardop te lachen. De man weet van geen ophouden, ik voel me steeds ongemakkelijker worden en het schaamrood stijgt naar mijn kaken.

En dit is maar één voorbeeld. De afgelopen paar jaar heb ik elf Afrikaanse landen bezocht en mijn liefde voor dit continent blijft groeien. Ik word blij van de drukte op straat, ongeplande en impulsieve ontmoetingen en de vriendelijke en gastvrije mensen. De georganiseerde chaos en de traagheid van het leven zorgen ervoor dat de Hollandse stress snel verdwijnt en nergens smaken de biertjes zo lekker als in Afrika. Er is echter één ding waar ik niet aan kan wennen en waar ik me regelmatig aan irriteer.

“Umlungu! Umlungu, why are you here?” Ik ben op bezoek bij studiegenoot Zikhona en terwijl we onze weg vervolgen steken steeds meer mensen hun nieuwsgierige hoofden uit hun shacks (Khayelitsha township, Zuid Afrika, 2008). Een jaar later en duizenden kilometers noordelijker. “Khawaja, khawaja”, een groep kinderen verzamelt zich om ons heen en inspecteren onze armen, “why do you have blue blood?” (Kapoeta, Zuid Soedan, 2009). Anderhalf jaar verder en voor het eerst in West Afrika. “Hey white lady, buy the paintings, I give you local price!” Zo vriendelijk mogelijk probeer ik alle straatverkopers op afstand te houden (Elmina, Ghana, 2010).

Het is me inmiddels wel duidelijk: Als blanke kan je in Afrika niet anoniem en onzichtbaar zijn.

In een lokaal restaurantje tussen de locals op rode plastic Coca Cola stoelen met je handen een portie ugali met naoma choma nuttigen. Gebruik maken van de goedkope dalla dalla’s of piki piki’s in plaats van de duurdere taxi’s en bussen. Afstand doen van je praktische westerse tropenkleding en je hijsen in een kleurig en luchtig gewaad. Een poging om de lokale taal te leren. Hoe erg je ook je best doet om te integreren, in het openbare leven lijkt het weinig verschil te maken. Je blijft altijd een mzungu. Blank is blank.

Blank zijn is je primaire identiteit hier. Die bleke, in het zonlicht reflecterende huid, hier en daar versierd met wat sproeten en moedervlekken. Het is het eerste dat mensen zien. En daar wordt je veelal meteen op beoordeeld. Of je hier nu al decennia woont, vrijwilligerswerk doet, studeert of een safari maakt – je bent blank. Of je nu duizenden euro’s uitgeeft aan luxueuze lodges of jaren hebt gespaard voor de ultieme budget en eenmalige Afrika ervaring – je bent blank. Je staat met je voeten op het Afrikaanse continent dus blijkbaar heb je het geld om hier te komen. Je bent blank. Je hebt geld.

“Mzungu give me some money!” in Noord Oeganda een veelgehoorde zin. “I want to start my own taxi company, can you pay for the first car”, vroeg een collega ineens na een lunch in Kenia. “I need to get petrol and you need to pay for that”, zei de taxi chauffeur in de Ghanese hoofdstad Accra op een zeer dwingende toon, terwijl ik al betaald had voor de taxirit. En, “My daughter has to go to University, can you pay study-fees?” vroeg de ober, met wie ik altijd een vriendelijk praatje maak, vanochtend. Begreep een groter gedeelte van de bevolking maar dat er in Europa geen geldbomen in de tuin groeien en dat mensen ook gewoon hard moeten werken voor hun centen.

Sinds mijn tijd in Kaapstad heb ik een stille wens om ooit voor langere tijd in Afrika te wonen en werken. Echter, ik vind het heerlijk om onzichtbaar te zijn. Om anoniem over straat te kunnen. Opgaan in een menigte. Niemand die je opmerkt. Geen massa mensen die constant iets van je wil. En omdat juist dat hier niet mogelijk is, weet ik niet of ik er tegen zou kunnen om altijd de mzungu te zijn, om altijd zo bewust te zijn van mijn huidskleur.

Misschien moet ik me erover heen zetten. Het hoort erbij en is part of the game. Het is ook niet dat ik het niet begrijp. Logischerwijs wordt er naar je geroepen in kleine dorpen, waar veel kinderen maar weinig blanken hebben gezien. En ik weet ook niet hoe ik zou reageren op die rondlopende pinautomaten als mijn familie moest rondkomen van 1 dollar per dag. Maar toch.

Deze week ontmoette ik Femmy, een Nederlandse vrouw die hier een eigen bedrijfje heeft opgezet. We hadden het over ‘blank zijn in Afrika’. “Ze bedoelen het niet verkeerd”, zei ze, “mzungu is geen racistische term zoals ‘neger’”. “Probeer het te negeren, ene oor in, andere oor uit”. Om het voor mezelf makkelijker te maken moet ik haar advies maar opvolgen. Blijkbaar wordt het ook niet minder, want zoals Leonie (de Britse vrouw die hier al ruim 30 jaar woont) zei: “You will always be an outsider, no matter what”. En ookal heeft Afrika een speciale plek in mijn hart, ik blijf dit lastig vinden.

RECENT POSTS