January 2, 2012

Ik ben een journalist (deel 1)

“Ik schrijf een artikel over de terugtrekking van Nederlandse bilaterale ontwikkelingshulp uit Tanzania”, vertel ik enthousiast. “Dus je bent een journalist?”, de man naast me in het vliegtuig kijkt me indringend aan. “Nou uh, eigenlijk ben ik niet echt…” ik maak mijn zin niet af en denk even na. “Ja”, zeg ik zo zelfverzekerd mogelijk, “ik ben een journalist”. Regelmatig ben ik aan het bellen, ik race van interview naar interview en heb mijn notitieblokje, audiorecorder en camera constant binnen handbereik. Vakantie is anders. Ik ben, inderdaad, voor even, een journalist.

Jurkje, pumps, mascara. Ookal ben ik in Afrika, is het 35 graden en breekt het zweet me uit, ik wil er niet als een safari-ganger uitzien. Bovendien ga ik in Nederland ook niet op slippers naar een werkgerelateerde afspraak. Op dag één van mijn journalistieke bestaan heb ik afgesproken in een koffiebar in Mlimani City, een groot overdekt winkelcentrum in Dar es Salaam. Terwijl ik, lichtelijk zenuwachtig, wacht op mijn afspraak, raak ik aan de praat met de man naast me. Salum Awadh. Strak in het pak, laptop op schoot en International Development Consultant. Komt dat even goed uit. Binnen een halfuur geeft hij me gegevens van vijf mogelijk interessante informanten en uit hij uitgebreid zijn visie op ‘mijn onderwerp’. Aha, om je heen kijken en mensen aanspreken, zo pak je dat dus aan.

“Mzungu! Mzungu!” Terwijl de zon plaats maakt voor de maan probeer ik al hardlopend door de groene buitenwijk van Dar es Salaam de eerste indrukken te verwerken. “Mzungu!” Voor velen blijkbaar een gek gezicht: zo’n paars aangelopen blanke die rent voor haar leven. Voordat ik het hek van Friendly Gecko Guesthouse open sprint ik nog wat wedstrijdjes tegen twee Maasai guards op slippers. Maar tevergeefs. Ze lopen me er drie keer uit. ’s Avonds drink ik op het koele dakterras een Tusker  (biertje) met de vrijwilligers. Ze werken allen in het nabijgelegen weeshuis voor stichting Help2Kids. Ik vraag hoeveel kinderen er verblijven. Het antwoord is twintig. Er zijn tien vrijwilligers. De vrijwilligers blijven allemaal ongeveer vier weken. “Ja, tien op twintig kinderen is wel wat veel ja. Maar het is gezellig met elkaar, al vervelen we ons soms wel omdat er niet veel werk is”, vertelt een van hen. Later hoor ik dat Tanzanianen hen babyhuggers noemen.

Powercut. Met een kaars aan de muur en hoofdlamp op mijn hoofd bereid ik in bed, onder de klamboe, mijn interviews voor de volgende dag voor. Het regent dat het giet buiten. Officieel is het droge seizoen begonnen, maar ook hier verandert het klimaat. De donkere laaghangende wolken maken de Afrikaanse nacht nog donkerder. Kikkers ter grote van een kleine voetbal springen luid kwakend in het rond onder mijn open raam.

Een nieuwe dag met een aantal belangrijke interviews op het programma. Op mijn zwarte pumps baan ik me een weg door de krioelende massa mensen. Hoppend van de een na de andere kant probeer ik grote plassen water te vermijden. Bruine modderspetters op mijn nette zwarte jurkje. “Ik heb een afspraak met de Nederlandse Ambassadeur”, zeg ik tegen de strengogende dame achter het glas terwijl ik het zand van mijn benen veeg. Anderhalf uur, een interview en een fotosessie later, verlaat ik het beveiligde complex en spring ik in een bajaji op weg naar mijn volgende interview. Over een rode onverharde weg loop ik naar de compound van het United Nations Development Program (UNDP). De middagzon in combinatie met de vochtige bodem en lucht veroorzaken een drukkende hitte. Ik heb een afspraak met de coördinator van deTanzania Development Partners Group (TDPG). Aid efficiency, alignment, harmonization, official dialogue structure en mutual accountability. De vaktermen en cijfers rollen over tafel. Gelukkig staat het hele gesprek op tape, waardoor ik het later in alle rust nog eens terug kan luisteren.

“You work too much”, zegt één van de vrijwilligers als ik ’s avonds in de huiskamer van het guesthouse driftig aan het typen ben. Informatie structureren. Mindmaps maken. Foto’s bewerken. Audiobestanden op de computer zetten. En eigenlijk moet ik ook nog ál die uren aan gesprekken letterlijk overtypen. Wanneer doen journalisten dit? Doen ze het überhaupt? Verzamel ik teveel informatie? Spreek ik teveel mensen? Te perfectionistisch misschien?

Mijn laatste dag in Dar es Salaam. De zon staat hoog aan de hemel, de afspraken vandaag zijn iets minder formeel en op mijn hak ontpopt zich een grote blaar. Toch maar open schoenen dan maar. De dalla dalla racet in een rap tempo de berg op richting Tanzania’s grootste universiteit. Tussen bloeiende bomen en frisgroene grasvelden ligt de campus van de University of Dar es Salaam. In het hoge gras springen een aantal kleine aapjes heen en weer. Ik ben een uur te vroeg voor mijn interview en drink een kop thee in het café. Binnen vijf minuten zijn er drie docenten aangeschoven, ligt mijn audiorecorder op tafel en geeft de één na de ander zijn ongecensureerde mening over Tanzania’s donorsyndroom en hulpafhankelijkheid.  Mijn oren toeteren nog na van de verhitte discussie als ik de trappen oploop naar de zesde verdieping. Achter het bureau in een rommelige werkkamer vol boeken, papieren en dossiers zit professor Max Mmuja. Een kleine man van een jaar of vijfenzestig met een ronde bril. Zijn verhaal geeft diepte en achtergrond aan de kennis die ik tot zover heb opgedaan en als ik twee uur later de campus verlaat vallen puzzelstukjes op hun plek.

Journalistiek is prioriteiten stellen. Het verhaal dat ik ga maken is gecompliceerd en enig onderzoek is noodzakelijk. Het liefst wil ik twintig verschillende kanten belichten om een zo duidelijk mogelijk beeld te schetsen. Maar de tijd is beperkt en daarom moet ik constant keuzes maken. Een goede oefening. Eén week en vele gesprekken en ontmoetingen later kan ik in ieder geval stellen dat op deze manier een land leren kennen een hele mooie en leuke bijkomstigheid is.

RECENT POSTS